TUINORCHIDEEËN

Vrouwenschoentjes zijn te beschouwen als de koninginnen onder de tuinorchideeën. Dit is : Cypripedium x ventricosum.
Vrouwenschoentjes zijn te beschouwen als de koninginnen onder de tuinorchideeën. Dit is : Cypripedium x ventricosum.

 

tekst en fotografie: Tonny Buijs

Nog altijd worden orchideeën geassocieerd met de tropen en een warm plekje in de huiskamer. Dat is niet geheel terecht, maar wel begrijpelijk. De immens populaire Vlinderorchidee (Phalaenopsis hybr.) heeft bij velen een vaste plek in de vensterbank gevonden. En het overgrote deel van de zo’n 26.000 bekende orchideeënsoorten groeit ook op het warmere gedeelte van de wereld. Nederland kent ‘slechts’ negenenveertig inheemse soorten, terwijl het nog noordelijker gelegen IJsland er bijvoorbeeld maar zeven kent. Qua klimaat zou je onze inheemse soorten makkelijk in je tuin kunnen hebben. Ze groeien hier immers niet voor niets. De meeste orchideeën echter stellen zulke specifieke eisen aan hun leefgebied dat ze maar zelden spontaan in een tuin zullen opduiken. De enige uitzondering die ik in Elden (Arnhem-Zuid) ken, is de Brede- of Breedbladige wespenorchis (Epipactis helleborine). Die heb ik al in diverse tuinen zien staan zonder dat de eigenaren wisten dat ze heuse orchideeën bezaten.

Bijenorchis (Ophrys apifera). Dit is een heel apart en uniek exemplaar. Hij heeft geen bladgroen en heeft dus schimmels nodig om te kunnen overleven. Foto is gemaakt in Frankrijk.
Bijenorchis (Ophrys apifera). Dit is een heel apart en uniek exemplaar. Het heeft geen bladgroen en heeft dus schimmels nodig om te kunnen overleven. Foto is gemaakt in Frankrijk.

Als regel kun je stellen dat onze inheemse soorten bij lange na niet zo opvallend zijn als hun tropische tegenhangers. Bij de meeste zul je echt door de knieën moeten om ze goed te kunnen zien. Dat doet verder niets af aan hun schoonheid die voor velen verslavend werkt. Ik denk niet dat er een andere plantenfamilie bestaat die zoveel, en zulke extreme liefhebbers trekt. Orchideeënkoorts is misschien niet direct levensbedreigend, maar wel bepalend voor de beperkte inhoud van je portemonnee en schaarste aan vrije tijd.
Een aantal Nederlandse soorten is zeker wel in de tuin te houden. Daarnaast zijn er diverse soorten afkomstig uit de gematigde klimaatzones van de wereld die het bij ons met enige moeite ook (goed) kunnen doen. In dit artikel wil ik naast het geven van wat noodzakelijke achtergrondinformatie een aantal voor Nederland winterharde orchideeën noemen en dan met name de soorten waarmee ik zelf ervaring heb opgedaan.

Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa).
Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa).
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), in de achtergrond enkele Rietorchissen.
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), met op de achtergrond enkele Rietorchissen.

Waar te vinden?
Een beperkt aantal winterharde orchideeën is verkrijgbaar bij ‘normale’ tuincentra. Voorbeelden daarvan zijn de Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa), de Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) en de Japanse orchidee (Bletilla striata). Voor tuinorchideeënbegrippen zijn dit makkelijke soorten. Verder zijn er een paar gespecialiseerde kwekers waar een grotere verscheidenheid aangeboden wordt; ik wil hier de kwekerij van Judith Prins noemen omdat ik daarmee goede ervaringen heb. Ebay, waar hobbykwekers hun overschot aan planten verkopen, kan ook een bron zijn. En natuurlijk zijn er specialistische plantenbeurzen.

In natuurgebieden zijn ze zeer zeker ook te vinden. Het gebeurt nog steeds dat wilde orchideeën uitgestoken worden en in tuinen belanden. Even daargelaten dat het niet mag, het heeft ook geen enkel nut. De uitgestoken planten overleven het nagenoeg nooit. Meestal laten ze het al snel afweten en bijna zeker komen ze het jaar erop niet meer terug. Kennelijk zijn ze zo specifiek vergroeid met hun oorspronkelijke standplaats, bijvoorbeeld met de daar voorkomende schimmels dat ze het zonder hun speciale vrienden op een andere plek gewoon niet redden.

Mijn 'laboratorium'.
Mijn ‘laboratorium’.

De meeste planten die bij kwekers vandaan komen zijn onder laboratoriumomstandigheden gezaaid en daardoor veel minder afhankelijk van schimmels en andere specifieke bodemomstandigheden. De kans dat deze planten in de tuin aanslaan is enorm veel groter. En met name als het zaad waaruit ze gegroeid zijn ook afkomstig was van eerdere generaties tuinplanten. ‘Darwin at work’ zullen we maar zeggen. Eerlijkheidshalve moet ik er wel bij zeggen dat ik zelf te kort met zaaien en kweken bezig ben om dit uit eigen ervaring te kunnen bevestigen (en ik ben nu zo’n vijftien jaar met tuinorchideeën bezig….).

Koraalwortel (Corallorhiza trifida). Dit plantje, op IJsland gefotografeerd, is slechts zo'n 10 cm hoog. Omdat hij zo bijzonder is, heb ik meerdere foto's bijgevoegd.
Koraalwortel (Corallorhiza trifida). Dit plantje, op IJsland gefotografeerd, is slechts zo’n 10 cm hoog. Omdat hij zo bijzonder is, heb ik meerdere foto’s bijgevoegd.
Koraalwortel (Corallorhiza trifida). Dit plantje, op IJsland gefotografeerd, is slechts zo'n 10 cm hoog. Omdat hij zo bijzonder is, heb ik meerdere foto's bijgevoegd.
Koraalwortel (Corallorhiza trifida).
Koraalwortel (Corallorhiza trifida). Dit plantje, op IJsland gefotografeerd, is slechts zo'n 10 cm hoog. Omdat hij zo bijzonder is, heb ik meerdere foto's bijgevoegd.
Koraalwortel (Corallorhiza trifida).

Schimmels en zaad
Aardorchideeën, orchideeën die wortelen in de aarde, zoals onze tuinorchideeën, onderhouden vanaf hun prilste moment ingewikkelde relaties met schimmels. Zonder de juiste schimmel zal in de natuur geen orchideeënzaad ontkiemen. En dat stelt degene die orchideeën wil zaaien natuurlijk voor de nodige problemen. Even wat zaadjes uitstrooien in een bak zaai- en stekgrond is volstrekt kansloos.
Orchideeënzaad is zo klein dat het wel stofzaad genoemd wordt. Dit zaad kan zo klein zijn omdat het totaal geen reservevoedsel bevat, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een bruine boon die wij mensen goed kunnen eten juist omwille van al dat reservevoedsel. Een klompje embryonalecellen omgeven door een min of meer ondoordringbare huid, de testa, is alles wat er is. De testa vormt een beschermlaag rond het embryo en bevat tevens kiemremmers. Wanneer deze kiemremmers uitgewerkt zijn, bijvoorbeeld onder invloed van een koude-, of vorstperiode, dan pas kan de testa worden binnengedrongen. In de natuur gebeurt dit door soortspecifieke schimmels. Komt deze speciale schimmel niet voor in de bodem waar het zaad terecht is gekomen dan zal het niet ontkiemen. In het geval dat er wel een juiste combinatie schimmel en zaad aanwezig is, dan dringt een schimmeldraad door tot het embryo. Het ochideeënembryo onttrekt daarop voedingsstoffen aan de schimmel en begint te groeien. Of de schimmel ooit beloond wordt voor zijn goede gedrag is mij niet bekend.
Soms blijven orchideeën hun hele leven lang afhankelijk van schimmels. Dat hangt af van de soort, maar soms zijn er exemplaren binnen een soort die niet zonder schimmel kunnen terwijl de rest ‘gewoon’ fotosynthese als energiebron gebruikt.

Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum). Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum). Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), je ziet waar de naam vandaan komt. Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), je ziet waar de naam vandaan komt. Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), bijna niet te geloven dat zo'n grote plant zonder bladgroen kan. Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), bijna niet te geloven dat zo’n grote plant zonder bladgroen kan. Foto is gemaakt op Lesbos.

Orchideeënsoorten zonder bladgroen, nodig voor fotosynthese, zoals bijvoorbeeld de Koraalwortel (Corallorhiza trifida), de Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum) en het Vogelnestje (Neottia nidus-avis) kunnen niet zonder schimmel(s). Dit soort orchideeën is natuurlijk volstrekt kansloos in een tuin, tenzij je de mazzel hebt dat ze er van nature groeien. Logischerwijze volgt hieruit dat planten die volop in het bladgroen zitten, zoals de diverse soorten uit het geslacht Cypripedium, een veel grotere kans in de tuin maken.
Zo gaat het in de natuur. Maar met het schimmmelverhaal schiet je als orchideeënkweker in beginsel niet veel op. (En toch moet je het goed in gedachten houden want er valt zeker wel iets mee te doen.) Er is wel getracht om deze soortspecifieke schimmels te isoleren en te vermeerderen om ze daarna te gebruiken om orchideeënzaad tot kieming te bewegen. Echt populair is deze omslachtige methode nooit geworden. Bovendien is er een veel makkelijker methode gevonden. Relatief gezien dan…, want het lijkt in bijna niets op het zaaien van worteltjes en boontjes.

Enkele weken tot maanden na het zaaien kiemt het zaad en spreek je van 'protocormen'.
Enkele weken tot maanden na het zaaien kiemt het zaad en spreek je van ‘protocormen’.

Reageerbuisbaby’s
Het leven van onze tuinorchideeën begint, vegetatieve vermeerdering daargelaten, uiteraard in een laboratorium. Onder gecontroleerde omstandigheden wordt hier zo’n luilekkerland voor het orchideeënembryo gecreëerd dat het welhaast moet groeien (maar het vaak genoeg toch laat afweten). Het zaaien gebeurt onder steriele omstandigheden op een speciale steriel gemaakte voedingsbodem in steriele bakjes. De voedingsbodem is zo samengesteld dat het ’t embryo aan niets ontbreekt. Schimmels en bacteriën zijn echter ook verzot op deze bodems vandaar dat steriel werken noodzakelijk is. Het embryo wint het nooit van deze ongewenste indringers in geval van besmetting.
We hebben dus een steriele omgeving nodig om in te werken. Een zogenaamde flowkast voldoet perfect. Gefilterde lucht blaast je hierin tegemoet. Het filter is dermate fijn dat het bacteriën en schimmels weet tegen te houden. Gesteriliseerde bakjes zijn te koop, of anders zijn glazen potjes te ontsmetten met behulp van een hoge druk pan. Ook de voedingsbodem wordt steriel gemaakt in zo’n pan. Rest nog: het orchideeënzaad.

De protocormen groeien uit en zowaar er lijkt iets van een plantje te ontstaan.
De protocormen groeien uit en zowaar er lijkt iets van een plantje te ontstaan.

Als het zaad rijp is barst een zaadpeul open. Op dat moment weet je twee dingen. Het zaad is aan de buitenlucht blootgesteld en dus niet steriel meer. Daarbij weet je ook dat het zaad voorbereid is op wat de natuur brengen kan en dus voorzien is van kiemremmers om voortijdige ontkieming te voorkomen. Tom Poes verzin een list. En hij bedacht een goede. Het zaad wordt door kwekers met chloor gesteriliseerd. Vrij zwevend in een chlooroplossing wordt de buitenkant van het zaad ontdaan van levende bacteriën en schimmels. Het agressieve chloor heeft echter nog een voordeel. Het verzwakt de testa dusdanig dat het mogelijk wordt voor het embryo om in contact te komen met de voedingstoffen in de bodem. Om van het agressieve chloor af te komen wordt er nagespoeld met gesteriliseerd water.

Het kweken van een goed wortelgestel is bij alle planten van groot belang maar doorslaggevend bij orchideeën.
Het kweken van een goed wortelgestel is bij alle planten van groot belang maar doorslaggevend bij orchideeën.

Er is echter nog een truuk: het gebruik van onrijp zaad. Dat de timing van het oogsten hierbij heel nauwgezet komt mag duidelijk zijn. Als het zaad te vroeg wordt geoogst is het niet levensvatbaar. Het zaaien uit een ‘groene peul’ heeft als voordeel dat kiemingsremmers nog niet gevormd zijn en dat het zaad in een gesloten peul nog steriel is. Het gebruik van chloor is nu dus overbodig.
Ik heb beide methoden gebruikt bij het zaaien van orchideeën uit het geslacht Cypripedium (Vrouwenschoentjes) en ze werkten daarbij beide. Toch is dit niet vanzelfsprekend. Zaad van soorten uit het geslacht Epipactis (Wespenorchissen) blijkt zeer moeilijk tot kieming te brengen in het laboratorium, zowel met rijp als met onrijp zaad. En dan kom ik toch weer terug op de natuur met haar schimmels.

Het moment nadert dat de plantjes die nog steeds in een steriele omgeving staan in de boze buitenwereld uitgeplant gaan worden.
Het moment nadert dat de plantjes die nog steeds in een steriele omgeving staan in de boze buitenwereld uitgeplant gaan worden.

Epipactissoorten zijn relatief makkelijk vegetatief te vermeerderen en ook relatief makkelijk in de tuin te houden. Zoals opgemerkt is zaaien bijna niet te doen. Ik heb ooit na massaal zaaien een paar plantjes overgehouden; het was de moeite echter niet waard. Via Ebay kwam ik in contact met iemand die diverse kruisingen tussen Wespenorchissoorten aanbood. Kruisingen ontstaan uit zaad dus ik was benieuwd naar zijn manier van zaaien. Het maken van een kruising is bij orchideeën bijna altijd een fluitje van een cent. In de natuur komen spontane kruisingen dan ook volop voor. Zelf stuifmeel overbrengen van de ene soort op de stamper van de andere soort is een makkie. ‘Appeltje eitje’, zou Willem zeggen. En je weet precies welke kruising je hebt gemaakt. Alleen moet het zaad nog wel willen kiemen. En je moet er vanzelfsprekend voor zorgen dat insecten je scheppende werk niet voor je hebben kunnen doen.
Orchideeën zijn natuurlijk niet de enige planten die samenwerken of anderszins een relatie met schimmels onderhouden. Soms valt het op dat bepaalde soorten orchideeën vaak bij een bepaalde soort andere plant groeien. Ik kan dit zelf slechts als anekdotisch bewijs aanvoeren maar ik zie Epipactis helleborine opvallend vaak opduiken onder (hagen) van de Haagbeuk (Carpinus betulus). En bij een collega-kweker groeit de Epipactis helleborine opvallend goed onder een berk (Betula pendula). Zou het kunnen zijn dat deze orchidee profiteert van de schimmels die leven rond de wortels van deze bomen?

http://www.vereniging-orchideeen-vermeerdering.nl/site/index.php
In dit orchideeëntuintje probeer ik gebruik te maken van de schimmels die samenleven met de wortels van deze berken.
Deze Epipactissen stonden er na een groeiseizoen zeer fraai bij. Ik had ze geplant tussen de berken van de vorige foto. Het jaar erop moest ik verhuizen dus ik weer niet of het goede resultaat zich zou hebben doorgezet.
Deze Epipactissen stonden er na een groeiseizoen zeer fraai bij. Ik had ze geplant tussen de berken van de vorige foto. Het jaar erop moest ik verhuizen dus ik weer niet of het goede resultaat zich zou hebben doorgezet.

Mijn collega van Ebay is overtuigd van dit samenleven. Hij schraapt de grond weg tot de wortels van de bomen bloot komen te liggen en zaait daarop het zaad van zijn Wespenorchissen(kruisingen). En hij behaalt resultaat. Dus… Tussen twee haakjes, de boomwortels waarop hij zaait zijn die van de Grove den (Pinus sylvestris), de Hazelaar (Corylus avellana) en de (!) Haagbeuk (Carpinus betulus).
Er valt nog zoveel te ontdekken omtrent (tuin)orchideeën en het kweken ervan. Mocht je het risico willen lopen van een besmetting met orchideeënkoorts dan kan de Vereniging Orchideeën Vermeerdering  je op weg helpen met de grondbeginselen van het zaaien.

Cypripedium 'Little Charlie'. Een kruising die ikzelf maakte uit: C. parviflorum var. makasin x C. macranthos 'Alba'. Helaas was ik met deze kruising net te laat om hem als nieuw te registreren en een een naam te mogen geven.
Cypripedium ‘Little Charlie’. Een kruising die ikzelf maakte uit: C. parviflorum var. makasin x C. macranthos ‘Alba’. Helaas was ik met deze kruising net te laat om hem als nieuw te registreren en een een naam te mogen geven.
Cypripedium x ventricosum doet het bij mij heel goed en geeft vaak meerdere bloemen per steel.
Cypripedium x ventricosum doet het bij mij heel goed en geeft vaak meerdere bloemen per steel.
Cypripedium parviflorum var. makasin komt als een van de eerste Vrouwenschoentjes boven de grond. Ik ben er een fan van.
Cypripedium parviflorum var. makasin komt als een van de eerste Vrouwenschoentjes boven de grond. Ik ben er een fan van.

Cypripedium (Vrouwenschoentjes)
Voor velen vormen de soorten uit het geslacht Cypripedium de kroon op hun tuinorchideeëncollectie. Sommige planten kunnen uitgroeien tot flinke pollen. En voor tuinorchideeënbegrippen zijn het sowieso al grote planten. Ze staan het liefst in lichte schaduw zonder ooit in fel zonlicht te hoeven komen. De bodem waarin ze staan moet luchtig en goed doorlatend zijn. De praktijk is echter weerbarstiger dan de theorie… Seramis en Perliet hebben bij mij een positief effect op de overlevingskansen van de Vrouwenschoentjes, potgrond juist een negatief.

Cypripedium calceolus, de enige vertegenwordiger uit het geslacht Vrouwenschoentjes die van nature in Noordwest-Europa voorkomt.
Cypripedium calceolus, de enige vertegenwordiger uit het geslacht Vrouwenschoentjes die van nature in Noordwest-Europa voorkomt.

Cypripedium calceolus is de enige soort die in West-Europa voorkomt; wereldwijd bestaan er zo’n vijfenveertig soorten. Deze plant werd zo’n geliefd verzamelobject dat hij bijvoorbeeld in Engeland totaal in het wild dreigde te verdwijnen. De resterende plant(ten) worden daar nu dag en nacht bewaakt. C. calceolus is van de Cypripediums niet de makkelijkste om succesvol te zaaien, en Cypripediums zijn al niet de makkelijkste, maar het lukt in voldoende mate waardoor zelfs deze planten bij speciale kwekers inmiddels gewoon te koop zijn.

De eerste tuinorchideeën die ik kocht, dat was tijdens een orchideeënbeurs hier in de buurt in Oosterhout, waren Cypripediums. Sindsdien heb ik altijd een soort haat – liefde relatie met ze gehad. Na al die jaren heb ik nog steeds geen methode gevonden om alle planten met een grote mate van zekerheid door de winter te loodsen. Sommige individuele planten heb ik vele jaren lang, maar van vele moet ik na een winter afscheid nemen omdat ze of verrot of verdroogd zijn. Gelukkig lukt het zaaien van Cypripediums, de soorten en de kruisingen die ik zelf maak, mij behoorlijk goed. Maar zelfs de mogelijkheid om te experimenteren met duizenden zaailingen heeft mij tot nu toe niet het ultieme antwoord opgeleverd. Uitermate frustrerend… De bloeiperiode, vanaf begin mei zo’n beetje, maakt heel veel goed. Dan is het genieten van al die kleine wondertjes die staan te stralen.

Cypripedium henryi maakt ook forse pollen.
Cypripedium henryi maakt ook forse pollen.

Cypripediums zijn niet de meest ideale beginnersplanten maar voor velen wel de mooiste. Gewoon mee beginnen zou ik zeggen en mocht je een betrouwbare manier weten om ze onze afwisselend natte en koude winterse dagen door te krijgen, laat het me dan even weten…
De planten die het bij mij het beste doen zijn: C. pubescens, C.x ventricosum, C. californicum, C. makasin, C. ‘Ulla Silkens’ en C. flavum. Met C. reginae die de naam heeft de makkelijkste te zijn heb ik altijd problemen.

Moeraswespenorchis (Epipactis palustris).
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris).
Epipactis 'Sabine'.
Epipactis ‘Sabine’.

 

 

 

 

 

Epipactis
Het geslacht Epipactis kent een behoorlijk aantal soorten en kruisingen die het goed doen in de tuin. Epipactis helleborine groeit hier spontaan en daar heb ik dus geen omkijken naar. Verder heb ik goede ervaringen met E. palustris, E. gigantea en de kruising E. ‘Sabine’. Deze zijn volop verkrijgbaar in de handel tegen redelijke prijzen. Andere mooie Wespenorchissen zijn: E. royleana, E. veratrifolia, E. thunbergii en E. mairei.
Epipactis helleborine heeft bij mij een voorkeur voor schaduw. De anderen staan bij mij zelfs in de volle zon en dat is geen probleem zolang ze voldoende vocht krijgen. Ik heb het idee dat de bodemsamenstelling minder nauw luistert dan bij de Vrouwenschoentjes. De E. helleborine staat vol in de Betuwse klei die hier van nature ligt. Voor de andere soorten kies ik toch een wat luchtiger mengsel.

Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) in zijn natuurlijke habitat.
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) in zijn natuurlijke habitat.

Eerder schreef over de moeilijkheid om ze succesvol te zaaien. Vegetatief echter zijn ze eenvoudig te vermeerderen door de wortelstokken te delen. Voor de die-hards die het zaaien toch willen proberen het volgende. Volgens de man van E-bay kiemen kruisingen makkelijker dan de soorten. En zoals gezegd zaait hij op de wortels van de paar genoemde soorten bomen / struiken. Toch behaalde hij ook succes in het laboratorium En daarvoor gebruikte hij deze methode, die ik overigens zelf nog niet heb toegepast. Het zaad van Epipactis helleborine (Breedbladige wespenorchis) oogstte hij achtentwintig dagen na de bestuiving, met andere woorden: hij gebruikte dus een groene peul. Hij zaaide op kamertemperatuur en liet de bakjes een paar maanden bij deze temperatuur staan. Daarna gingen de bakjes de koeling in. Bij een temperatuur van min 1 – plus 3 bleven ze daar minimaal drie maanden en maximaal vier. Daarna werden ze weer op kamertemperatuur gebracht en volgde, als het goed is, kieming. Zo niet, dan was het zaad waarschijnlijk te oud. Voor Epipactis palustris (Moeraswespenorchis) gebruikte hij dezelfde methode en deze orchidee blijkt iets makkelijker te kiemen. En meer kennis over het zaaien van dit moeilijke geslacht heb ik niet.

Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa).
Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa).

Dactylorhiza
De Nederlandse naam voor dit geslacht is Handekenskruiden. De vele soorten uit dit geslacht kruisen makkelijk waardoor het op naam brengen niet altijd even makkelijk is. Wel zijn ze vrij makkelijk in de tuin te houden en het zaaien gaat zelfs zeer gemakkelijk. Zelf heb ik ervaring met een viertal soorten en een ondersoort, namelijk: de Rietorchis, de Gevlekte orchis, de IJslandse gevlekte orchis, de Bosorchis en de Purperrode orchis.
De bekendste is de Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa). Het is zonder meer een prachtige plant met een aar die lange tijd bloeit. De naam Rietorchis duidt er al op dat hij liever wat vochtiger staat. In de natuur, met name in het Lauwersmeergebied, komt hij vaak samen voor met de Moeraswespenorchis en wie ben ik om u erop attent te maken dat deze combinatie ook in de tuin zeer fraai is.

Rietorchis (uitgebloeid) en Moeraswespenorchis bij het Lauwersmeer.
Rietorchis (uitgebloeid) en Moeraswespenorchis bij het Lauwersmeer.

Om een idee te geven van de idioterie in de naamgeving bij de Handekenskruiden wil ik dit voorbeeld geven. Linnaeus zou zich omdraaien in zijn graf. Wat dacht u van: Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa var. junialis (Gevlekte rietorchis). Een ondersoort waarin ook nog een variëteit wordt onderscheiden! Het draait allemaal om het al dan niet hebben van vlekken op de bladeren. Wanneer ik Rietorchissen zaai krijg ik zowel gevlekte als ongevlekte exemplaren. Een beetje doorgeschoten hokjesdenken dit.
De Gevlekte orchissen (Dactylorhiza maculata en de IJslandse ondersoort D. maculata subsp. islandica) zijn ook makkelijk te houden. Ze zijn wat fragieler dan de Rietorchis en de bloemen zijn witter van kleur. Het is grappig de IJslandse ondersoort naast de soort te zien staan. De IJslanders blijven bij mij duidelijk kleiner. En dat is een teken dat het niet alleen de groeiomstandigheden op IJsland zijn die de planten daar klein houden. Er speelt duidelijk ook iets genetisch mee.
De Bosorchis (Dactylorhiza fuchsii) lijkt enorm veel op de Gevlekte orchis. De naam verraadt al dat hij liever een wat schaduwrijke standplaats heeft.
Als laatste noem ik de Purperrode orchis (Dactylorhiza purpurella). Deze lijkt dan weer heel veel op de Rietorchis.
Al mijn Handekenskruiden groeien voortreffelijk in de waterlelieaarde van Velda genaamd Lelite. Direct nadat ze uit de steriele bakjes komen worden de zaailingen daarin geplaatst. En verder is er eigenlijk geen omkijken meer naar.

Bijenorchis (Ophrys apifera).
Bijenorchis (Ophrys apifera).
Hommelorchis (Ophrys fuciflora), gewoon omdat ze zo mooi zijn.
Hommelorchis (Ophrys fuciflora), gewoon omdat ze zo mooi zijn.

Ophrys
De Nederlandse naam voor het geslacht Ophrys is Spiegelorchis. Soorten uit dit geslacht zijn niet makkelijk te houden. Het zaaien is geen probleem; het in leven houden van de zaailingen en planten wel. Enerzijds heeft dat te maken met het vinden van de juiste bodemsamenstelling (en de juiste schimmels?). Ze houden van kalk en daarom wordt vaak mergel toegevoegd. Het heeft zeer zeker ook met ons klimaat te maken en de beetje a-typische levenswijze. De planten gaan in zomerrust en het probleem is om de ondergrondse knollen te behoeden voor wegrotten. In de winter lopen de knollen uit en ontstaan er bladrozetten. Vroeg in het voorjaar bloeien ze dan met ongelooflijk intrigerende bloemen die soortafhankelijk op een bepaald insect lijken. Het insect dat de bloem tracht te imiteren is direct ook de bestuiver van die bloem. Zo trekken Bijenorchissen (Ophrys apifera) bijen aan en Hommelorchissen (Ophrys fuciflora) hommels, zo zou je zeggen. De Bijenorchissen zijn echter niet al te zeker van hun zaak en zijn grotendeels zelfbestuivend en op de Hommelorchissen vliegen met name bijen… Hoe krom wil je het hebben? De twee genoemde soorten zijn het meest gangbaar voor in de tuin.

Hommelorchis (Ophrys fuciflora), gewoon met
Hommelorchis (Ophrys fuciflora), gewoon met bladgroen.

De nektarloze bloem vertrouwt niet alleen op zijn gelijkenis met het te imiteren insect. Het mannelijke insect wordt ook verleid door feromonen te verspreiden. Het hierdoor aangetrokken en opgewonden geraakte mannetje probeert uiteindelijk te paren met de ‘vrouwelijke’ bloem. Door deze vrijpartij komt stuifmeel terecht op het insect en bij zijn volgende ‘vergissing’ bestuift hij daarmee een andere bloem.

Bijenorchis (Ophrys apifera.
Bijenorchis (Ophrys apifera.
Bijenorchis (Ophrys apifera.
Bijenorchis (Ophrys apifera.

 


Bletilla

Over het geslacht Bletilla kan ik vrij kort zijn. Bletilla striata (Japanse orchidee) is de bekendste soort en het zaaien ervan is heel gemakkelijk. Het houden in de tuin zou ook heel eenvoudig moeten zijn. Toch valt hier ook niet altijd een peil op te trekken. Bij mensen die de plant ‘zomaar’ ergens neer zetten doet hij het soms verrassend goed en bij anderen die beredeneerd te werk gaan doet hij het vaak helemaal niet. Zelf heb ik een pol Bletilla striata ‘Alba’ staan, de witbloemige versie zeg maar, en die breidt zich al jaren langzaam uit. Daarvoor heb ik verschillende mislukkingen gehad en ik kan er de vinger niet op leggen wat de oorzaak daarvan is geweest. Deze pol staat nu in losse, luchtige aarde die behoorlijk wat organische stof bevat.

Pleione titan.
Pleione titan.

 

Pleione
De soorten uit het geslacht Pleione, en dat zijn er zo’n vijftien tot twintig, moeten welhaast voor een ieder de makkelijkste tuinorchideeën zijn. Behalve makkelijk zijn ze ook nog zeer fraai. Echt winterhard is er maar een: Pleione limprichtii. Pleione formosana is ook behoorlijk winterhard, maar andere soorten moeten echt op een koele vorstvrije plaats overwinteren. Dat kan een garage, kelder of zelfs een koelkast zijn, dat is een beetje naar gelang de soort. Uiterst belangrijk is dat ze in deze periode droog blijven. Rotting in de winterperiode is bij mij de belangrijkste reden van het verlies van deze planten.
Nadat de ergste kou uit de lucht is kunnen de bollen of beter gezegd bulben weer in een grondmengsel gezet worden. De samenstelling hiervan luistert niet echt nauw. De bulben worden met de onderste kwart in de grond gezet en eigenlijk pas als de bloem verschenen is, kan er voorzichtig een begin gemaakt worden met water geven. Wanneer in de herfst de bladeren vergeeld zijn worden de bulben uit de grond gehaald, of worden ze met bak en al naar binnen gehaald om te voorkomen dat ze nat worden.
Het zaaien gaat uitermate gemakkelijk. Ook het maken van kruisingen is erg simpel. Daarom zijn het er ook zoveel… Verder gaat de vermeerdering ook vegetatief makkelijk. De oorspronkelijke bulbe verdwijnt tijdens de groei en als het goed is krijg je er minimaal twee evengrote voor terug. Soms bevinden zich onderaan een grote bulbe nog een aantal kleinere. Die kun je eenvoudig lostrekken van de grote en verder behandelen als een grote. Apart is dat er bovenop de oude bulbe vaak ook een soort van kleine bulben ontstaan. Bulbils heten die, en de Nederlandse naam moet ik u schuldig blijven. Die zet je in de grond en een nieuwe plant is geborenen. Soms is het echt simpel.
De soorten die ik heb geprobeerd zijn: Pleione formosanum, Pleione formosanum ‘Aba’, Pleione titan, Pleione hookeriana, Pleione aurita en Pleione forrestii.

Pleione titan.
Pleione titan.

3 gedachten over “TUINORCHIDEEËN”

  1. Hallo,

    Ik vind het fascinerend om te zien hoe goed uw pogingen om te zaaien zijn gelukt. Ik heb kortgeleden een steriele werkbank gebouwd.
    Ik wil om te oefenen beginnen met het kweken van paddenstoelen. Mijn uiteindelijke doel is het zaaien van Europesche orchiedeen. Ik heb enkele soorten staan, waaronder cypripedium flavum, ophrys apifera, gymnadenia conopsea en nog enkele meer.

    Hoe heeft u de voedingbodems gemaakt? Heeft u deze kant en klaar gekocht of zelf gemaakt? Kunt u misschien ook noemen in welke potten u het zaad uitzaait? Op de website lidaforgarten van Svante Malgrem worden enkele samenstellingen beschreven en wetkwijzen genoemd. Heeft u ervaring met zijn manier van werken? Ik stel u een hoop vragen ben ik mij bewust. Er is zo weinig informatie te vinden op internet of in literatuur beschreven.

    Mvg,

    Taco Folkersma

    1. Beste Taco,
      Ik maak mijn voedingsbodems zelf. Voor Cypripediumsoorten gebruik ik de BM2-bodem. Voor de anderen BM1. Ophrys heb ik nooit gezaaid. Je zou kunnen overwegen lid te worden van de VOV, zij hebben (hadden?) in elk geval een heel handig boekje waar het zaaien stap voor stap wordt uitgelegd. Mijn ingrediënten komen bij Duchefa vandaan. Zij hebben volgens mij ook kant en klaar mengsels. Elk glazen potje met deksel kan in principe gebruikt worden mits je het in een hoge druk pan (bijvoorbeeld) kunt steriliseren. Wel een klein gaatje in de deksel maken en afsluiten met een propje watten (ik gebruik daarvoor een stukje van die make-up verwijder schijfjes). Er zijn ook steriele plastic bakjes te koop (ook met filter in het deksel). En die gebruik ik tegenwoordig.

  2. er staat geen prijs bij u orchideeën om te bestelen en wat zijn de
    verzending kosten en hoe kan ik dat betallen

Reacties zijn gesloten.