
tekst en fotografie: Tonny Buijs
De droom ooit eens een dinosaurus in levende lijve te treffen leeft bij velen. En wie weet wat de wetenschap ons nog gaat voorschotelen om ons een echt Jurrasic Park te laten beleven. De droom zal tot die tijd een droom blijven, of toch niet? De T-rex en zijn metgezellen mogen dan van de aardbodem verdwenen zijn, andere organismen, uit lang vervlogen tijden, waarvan men dacht dat ze al lang uitgestorven waren, blijken soms toch nog op enkele ontoegankelijke plaatsen te overleven. En deze overlevers noemen we Levende fossielen.
Het bekendste levende fossiel moet wel de Coelacanth zijn. Deze vis zou al 66 miljoen jaar geleden uitgestorven moeten zijn, toch dook er in 1938 eentje op. Een ware speurtocht volgde en nu onderscheiden we zelfs twee soorten die helaas beide zwaar bedreigd worden in hun bestaan.
De drie levende fossielen die ik in mijn tuin heb zijn vertegenwoordigers uit het plantenrijk, om wat preciezer te zijn: het zijn bomen. Hun oorspronkelijke leefgebieden mogen dan verdwenen of zeer beperkt zijn, door toedoen echter van plantenliefhebbers zijn ze nu verspreid geraakt over een groot deel van de wereld en lijkt hun toekomst rooskleurig te noemen.
In het vervolg van dit artikel ga ik dieper in op de Japanse notenboom (Ginkgo biloba), de Wollemia nobilis, nog zonder Nederlandse naam, en de Watercipres, synoniem met Chinese moerascipres, met de mooiste Latijnse naam van alle: Metasequoia glyptostroboides.
De Wollemia nobilis is de recentste ontdekking. Vanaf zijn vondst in 1994 heb ik het verhaal van deze Australische conifeer met belangstelling gevolgd. Dit voorjaar heb ik eindelijk een exemplaar kunnen aanschaffen waarmee mijn verzameling van mij bekende Levende fossiele bomen compleet is.



Tuin- en plantenliefhebbers zijn er in vele soorten en maten. Er zijn tuinliefhebbers die het liefst geen planten in de tuin hebben, want onderhoud. En aan de andere kant van het spectrum zijn er de verzamelaars. Zij streven ernaar om binnen de door hun gekozen specialiteit alle planten een plekje te geven in hun tuin en reken maar dat daar veel tijd in gaat zitten. Botanische tuinen, en een bijzondere vorm daarvan de arboreta, zijn hiervan een voorbeeld. Deze tuinen vragen om een behoorlijke oppervlakte en zullen daardoor voor de meesten van ons te hoog gegrepen zijn. Maar er zijn liefhebbers genoeg die een speciale varen-, orchideeën-, of een rotstuin met alpine planten hebben.
Ik, zei de gek, besloot de levende fossiele bomen te verzamelen. Ondanks dat het er maar drie zijn heb ik toch te weinig ruimte om ze in de volle grond in de tuin aan te planten en daarom staan ze bij mij in potten. Daarin groeien ze uit tot mooie miniatuurvormen zonder dat het daarmee bonsaiboompjes worden. Mijn bomen snoei ik dan ook niet. Ze behouden hun natuurlijke vorm en dat is naar mijn mening ook de mooiste. Zoals een leraar ooit vertelde: moet een boom gesnoeid worden dan heeft de planter een verkeerde standplaats gekozen, deze had moeten kiezen voor een plek met meer ruimte. Even los daarvan, dat we fruitbomen wel snoeien gebeurt om een speciale reden: we streven simpelweg naar een grotere opbrengst.
Een groot voordeel van het planten in potten is de flexibiliteit. Naar gelang smaak en wens kun je de bomen een plek geven die op dat moment jouw voorkeur geniet. Een nadeel is dat de planten meer aandacht nodig hebben. Water en voeding zijn beperkt tot wat de beperkte potomvang kan bieden en dienen derhalve goed in de gaten te worden gehouden zodat de boom geen gebrek lijdt. En wanneer een felle zon rechtstreeks op de potten schijnt, moet je er niet raar van opkijken dat de wortels welhaast gekookt kunnen worden. Zorg daarom, met name in die periode, voor schaduw op de pot.

De Japanse notenboom…
… is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit China. De enige plek waar hij nog in het wild voor zou komen is het berglandschap van de provincie Zhejiang in oostelijk China. Zo zie je maar weer hoe misleidend Nederlandse namen kunnen zijn! Het verhaal gaat dat de boom met het boeddhisme vanuit China meegekomen is naar Japan. Hij werd met name aangeplant bij tempels, vandaar ook wel de naam Japanse tempelboom. De eerste Europeaan die de boom beschreef, in 1712, zag de boom in Japan, vandaar. En zo’n beetje rond 1730 maakten de eerste Ginkgo’s al hun opwachting in Europa.

In een aspect is de Ginkgo absoluut uniek. Het is geen conifeer, met naalden of schubben, en het is ook geen loofboom met bladeren. Wel lijkt zijn overigens zeer fraaie ‘blad’ het meest op een ‘echt’ blad. Maar wie beter kijkt, ziet daarin geen nerfstructuur. Het Ginkgo-blad is samengesteld uit parallel lopende naalden. Het is de enige bekende boom die dit heeft. Ik vind het altijd prachtig wanneer er in de natuur, of waar dan ook, weer iets opduikt dat niet in een hokje van de gevestigde orde past. Het tweelobbige blad, vandaar de soortaanduiding biloba, verkleurt in de herfst voor het afvalt prachtig diep geel. Naast de opvallende groeivorm is dat nog een goede reden om deze boom in een flinke tuin aan te planten, want Ginkgo’s worden wel groot…. Een meter of twintig hoog behoort zeker tot de mogelijkheden.
Mijn eerste Ginkgo’s heb ik zelf gezaaid. Plantenliefhebbers zullen beamen dat zelf zaaien extra voldoening geeft. Voor een goede bestuiving heb je in dit geval zeker twee bomen nodig. De Japanse notenboom is tweehuizig, dat wil zeggen dat je zowel mannelijke als vrouwelijke exemplaren hebt. Velen geven er de voorkeur aan alleen de mannelijke bomen aan te planten. De reden daarvoor is de enorme stank, veroorzaakt door boterzuur, die vrijkomt wanneer het vruchtvlees rond de zaden begint te rotten. Mannelijke bomen hebben wel zaad, het stuifmeel, maar vormen geen zaden, dus vandaar. Je moet wel wachten op de eerste bloemen om een exemplaar als man of vrouw te kunnen duiden….

De Ginkgo is al lange tijd in cultuur en daardoor zijn er bepaalde selecties gemaakt. Tussen al die tienduizenden zaailingen zitten er altijd een paar die de liefhebber meer aanspreken dan al die anderen. Dat kunnen exemplaren zijn die van nature kleiner blijven of bijvoorbeeld een iets andere bladvorm bezitten. Zulke tot de verbeelding sprekende bomen krijgen vaak een eigen aparte naam. Achter Ginkgo biloba komt dan bijvoorbeeld tussen haakjes ‘Mariken’ te staan, of ‘Baldii’. Deze twee vormen van de Japanse notenboom heb ik zelf aangeschaft. De ‘Mariken’ blijft veel kleiner dan de ‘soort’ en heeft een bolvormige kroon, en is daardoor veel beter geschikt voor een kleine tuin. De ‘Baldii’ groeit zeer compact en heeft heel kleine bladeren. Voor de hoogte na tien jaar wordt voor deze boom twee meter opgegeven. Zo bezien is er voor elke tuin wel een geschikte tempelboom te vinden.

De eigenschappen van zulke geselecteerde bomen kunnen alleen behouden worden door vegetatieve vermeerdering, bij bomen gebeurt dat doorgaans door middel van enten.
Hier in de buurt, bij de Oude kerk in Elst, staan twee grote Japanse notenbomen.
De Watercipres….
…..is in het wild alleen te vinden in China. Rond het jaar 2005 bevond zich daar nog een bos met zo’n 5.500 exemplaren en verder nog een paar plaatsen met wat kleinere groepjes.
De moderne geschiedenis van de Metasequoia begint echter in 1941. Door bestudering van fossiele plantenresten komt een wetenschapper tot de conclusie een nieuw plantengeslacht gevonden te hebben dat hij Metasequoia noemt wat zoveel zeggen wil als: net als een Sequoia. Geen van de gevonden fossielen was minder dan anderhalf miljoen jaar oud.
Een enorm toeval wil, en de mooiste verhalen zijn vaak doorspekt met toeval, dat in datzelfde jaar een boswachter in China een enorme voor hem onbekende boom vond die deel uitmaakte van een plaatselijk heiligdom. Het verhaal stopt hier even tot in 1943 een ander, een Chinese bosopziener, naar verluidt delen van een onbekende boom verzamelde waarvan men nu aanneemt dat het om dezelfde boom ging als die van 1941. Na bestudering kwam men tot de conclusie dat het om een voor de wetenschap nieuwe soort ging.
Pas in 1946, na de oorlogsjaren, werd verband gelegd tussen de fossielen en de levende boom, en kreeg deze de naam Metasequoia glyptostroboides. In 1948 werden van deze boom zaden verzameld die gestuurd werden naar diverse universiteiten en arboreta wereldwijd, waaronder Nederland. Hiermee werd de verspreiding van de soort in volle gang gezet.

Mijn Watercipres heb ik uit zaad vermenigvuldigd. En dat bleek niet echt makkelijk. Uit een tiental zaden kiemde er slechts een waardoor ik op deze boom extra zuinig ben. Het stekken schijnt veel makkelijker te zijn, maar dat heb ik zelf nog niet geprobeerd.
Om even een kleine zijsprong te maken: de Watercipres is een van de drie overgebleven Sequoias. De grootst groeiende boom van de wereld is ook een Sequoia en dat spreekt natuurlijk zeer tot de verbeelding. Het is de Kustmammoetboom, Sequioa semperviren om precies te zijn, en het hoogste bekende exemplaar is zo’n 115 meter. De derde Sequoia is de Sequoiadendron giganteum, of Mammoetboom. De hoogste daarvan is genaamd de General Sherman en die is zo’n 84 meter groot. Met zijn maximale hoogte van zo’n 60 meter is de Watercipres maar een ukkie.
Vanzelfsprekend heb ik ook al deze Sequoias verzameld.
Een bijzonderheid aan de Watercipres is het feit dat het een naaldverliezende conifeer is. Iedere herfst laat hij zijn naalden vallen. Er zijn niet veel coniferen die hetzelfde kunstje flikken, maar we kennen uiteraard allemaal onze eigen inheemse Lariks. Het is dus niet zo dat bij andere coniferen de naalden er tot in de lengte van dagen aan blijven zitten. De boom vervangt deze wel degelijk; nooit allemaal tegelijk en het is niet zo seizoensgebonden. Voordat de Watercipres zijn zacht aanvoelende naalden laat vallen heeft hij eerst een schitterende oranje-bruine / roestbruine herfstverkleuring.
Helaas wordt de Metasequoia glyptostroboides, om zijn naam nog maar eens voluit te schrijven, veel te groot voor een doorsnee tuin. Zelf heb ik het nog niet gezien maar hij schijnt ook wel als haag te worden aangeplant. Of zijn enorme groeikracht dan als voor- of nadeel gezien moet worden laat ik in het midden. Een voordeel is natuurlijk wel dat hij op zeer natte plaatsen kan groeien.
Vlakbij het Sonsbeekpaviljoen in park Sonsbeek in Arnhem staat langs het water een ruim 33 meter hoog exemplaar. Grappig is dat pal naast deze Watercipres een Moerascipres (Taxodium distichum) staat die nog net iets groter is. Wil je ze uit elkaar kunnen houden dan is het goed te weten dat een Watercipres rechttegenovergestelde knoppen heeft (en daarmee dus ook de scheuten en takken), en de Moerascipres niet. ‘Appeltje eitje’, zou Willem zeggen.
De Wollemia nobilis…
……heeft geen Nederlandse naam. De geslachtsnaam Wollemia slaat op de plaats waar deze conifeer in 1994 op 10 september gevonden werd: het Wollemi national park gelegen aan de rand van de Blue Mountains in New South Wales, Australië. Zo’n 150 kilometer bij Sydney vandaan. Daarvoor was de boom alleen bekend als fossiel. Een letterlijke vertaling van de Engelse naam Wollemi Pine zou in het Nederlands Wollemi Den worden. Dat zou een optie kunnen zijn, ware het niet dat Wollemia geen Pinus is en dat Den dus in feite nergens op slaat. Maar goed de Kerstroos is ook geen roos… en een Toverhazelaar geen hazelaar.
De naaste levende verwanten van de Wollemi Den zijn de Agathis australis met zijn Maori naam: Kauri. Ik kende hem niet, maar deze kennen we allemaal: de Araucaria araucana. Beter bekend onder zijn Nederlandse namen Apenboom en Slangenden.

Tijdens een avontuurlijke tocht inclusief abseilen werd de boom gevonden door een zekere David Noble, twee keer raden waar dan de soortaanduiding nobilis vandaan komt… Hij herkende de plant niet en brak een twijg af die hij bevriende botanisten liet zien. Pas na de inzet van een helikopter om ook een paar zaadkegels te verzamelen werd vastgesteld dat het om een nieuwe soort ging. Een waarvan men dacht dat die al miljoenen jaren geleden was uitgestorven.
De verspreiding in het wild is zeer beperkt, zowel qua vindplaatsen als qua aantallen. De soort is alleen te vinden in drie bij elkaar gelegen diepe zandsteen ravijnen waar de omstandigheden gunstig zijn voor het ontstaan van een gematigde regenwoud vegetatie (dus geen tropisch regenwoud). In 1998 stonden daar veertig volwassen bomen en zo’n tweehonderd zaailingen. Van enkele volwassen exemplaren wordt de leeftijd geschat tussen de vijfhonderd en duizend jaar. De oudste Wollemi Den staat inmiddels bekend als ‘King Billy’. Overigens zijn de vindplaatsen niet publiekelijk toegankelijk.
Ik kon eigenlijke niet wachten tot ik zelf een Wollemia nobilis zou zien of zelfs aan mijn verzameling zou kunnen toevoegen. Zelf zaaien was geen optie. De plant wordt beschermd door zogenaamd kwekersrecht. Men wil de verkoop van planten gestructureerd laten verlopen en de opbrengst daarvan gebruiken om de bomen in het wild te beschermen en behoeden voor uitsterven. Een nobel streven. Voorjaar 2015 was het dan zover. In België, in het arboretum van Kalmthout kocht ik mijn boom. Behoorlijk aan de prijs, maar daar is zoals gezegd een goede reden voor.
Of de boom in Nederland ook zo vanzelfsprekend zal worden als de Japanse notenboom en Watercipres is nog maar de vraag. Laatstgenoemde bomen zijn zeer winterhard terwijl dat bij de Wollemi Den nog afwachten is. De boom in Kew gardens Engeland zou inmiddels – 10 graden Celsius overleefd hebben. Ik neem echter voorlopig het zekere voor het onzekere. Ik zet mijn exemplaar bij naderende vorst op een vorstvrije plaats weg. En dat is dan weer een groot voordeel van het planten in potten. In Kew hebben ze ook ontdekt bij welke zuurgraad de plant het beste groeit, namelijk Ph 4,7. En hij staat het liefst in half schaduw.

Het duurde lang voordat de plant in het voorjaar op gang kwam. Uiteindelijk heeft hij toch een behoorlijke groei doorgemaakt. De 40 meter zal hij bij mij nooit halen. Wel is het zo dat het zomer en winter een mooi plaatje is omdat hij zijn lange zachte platte naalden niet verliest. Het wachten is nu op de kegels. De plant is eenhuizig en heeft dus zowel mannelijke als vrouwelijke kegels. En met name de laatsten zijn fraai.
Nog steeds worden nieuwe planten- en diersoorten door de wetenschap ontdekt. Levende fossielen trekken meestal net nog iets meer aandacht. Niet vreemd. Zoals Jezus Lazarus uit de dood wekte, heeft het zien van iets dat er al lang niet meer behoort te zijn, iets wonderlijks.
Leuk en informatief verhaal!